web site » schippers vertellen hun verhaal

De 39-jarige SGP-wethouder Cees van den Bos uit Bruinisse wordt de nieuwe burgemeester van Urk. „Visserij zit me in de genen. Toen ik jong was, voer ik met bootjes door de haven.”

Waarom wilt u burgemeester van Urk worden?

Van den Bos, wethouder in de gemeente Schouwen-Duiveland, donderdagavond: „Ik ben geboren en getogen in het Zeeuwse vissersdorp Bruinisse. Toen ik jong was, voer ik met bootjes door de haven. Ik heb vrienden die in de visserij werken. Familie is actief in verwante sectoren, zoals de machinebouw. De overlap in mentaliteit tussen beide vissersdorpen spreekt me aan. Verder: Ik ben niet iemand die alleen maar op de winkel wil passen. Op Urk is echt wat te doen. Denk aan de ontwikkelingen in de visserij, zoals de brexit. Ik wil 300 procent voor de Urker gemeenschap gaan.”

Bent u wel eens in Urk geweest?

„Vroeger op vakantie kwamen we er wel eens. Allerlei vlaggetjes, rode en zwarte kleuren van klederdracht. Ik herinner me het vissersmonument met platen met al die namen van omgekomen vissers. Indrukwekkend.”

Visserij is de kurk van Urk. Wat hebt u met visserij?

„Als wethouder in Schouwen-Duiveland heb ik me al ingezet voor visserij. Visserij zit me in de genen. Ik wil me hard maken voor die mooie sector en die toekomst geven. Tegelijk moet de visserij ook meebewegen met maatschappelijke trends, zoals rond duurzaamheid.”

In het kinderrijke Urk veroorzaken sommige jongeren problemen, bijvoorbeeld in zuipketen. Hoe kijkt u daar tegenaan?

„Allereerst wil ik zeggen: jeugdproblemen spelen niet alleen op Urk. Die doen zich elders ook voor. Verder vind ik het belangrijk om te weten wat er precies achter gedrag van jongeren zit. Daarover wil ik het gesprek aangaan. En verder geldt dat afgesproken regels regels zijn. En dan moet je daarin ook streng zijn.”

Van den Bos is vader van zes kinderen en aangesloten bij de gereformeerde gemeente in Nederland.

Urkers zijn een tikje vrijgevochten, zei de vorige burgemeester Van Maaren. Kunt u daar mee omgaan?

„In Bruinisse heerst dezelfde mentaliteit. Ik heb geleerd er mee om te gaan. Soms moet je direct zijn. En achter directe uitspraken zit vaak een verhaal. Daarin ben ik geïnteresseerd.”

Urk is een bolwerk van SGP’ers. U bent de eerste burgemeester van SGP-huize.

„Volgens mij wel ja, ik keek op Wikipedia. Ik vind het prima dat in Urk veel SGP’ers wonen, maar ik ben burgemeester voor iedereen. Voor orthodoxen en vrijzinnigen. Ik had ook burgemeester in een rood bolwerk kunnen zijn. Ik wil iedereen steunen in lief en leed.”

Hoe zou u zichzelf omschrijven?

„Ik ben een man met humor en recht door zee. Ik weet waar ik over praat en ben geïnteresseerd in mensen. Maar het is niet allemaal hosanna. Ik ben een tikje ongeduldig.”

Wat zijn uw hobby’s?

„Ik doe aan langeafstandswandelen. Bijvoorbeeld trajecten van 20 tot 25 kilometer lopen op het Pieterpad, samen met mijn vrouw. Als de kinderen zich er later voor interesseren, gaan ze ook mee. Verder houd ik enorm van klassieke muziek. Ik luister bijvoorbeeld naar het Requiem van Brahms of Paulus van Mendelssohn.”

bron.rd

Jauwk van Jan van Diene

Corry Blok-Plas

 

Over een naam, een bijnaam en een vergeten touwtje.

Jan van Diene met zijn drie zonen Sjoerd, Jacob en Jurie.

In 1856 wordt op Urk Jan van den Berg geboren, op Urk beter bekend als Jan van Diene. Hij krijgt deze bijnaam omdat zijn moeder, afkomstig van Terschelling, Dedde Zwaal heet maar op Urk Diene wordt genoemd i.p.v. Dedde. Klinkt logisch hè?

De naam van den Berg vindt zijn oorsprong in de bult van Urk  ofwel de “berg” van het eiland, waar het oude dorp op is gebouwd. Als je daar woont is de keuze voor de naam Van den Berg ook wel logisch.

Jan van Diene krijgt vier zonen, waarvan er één op jonge leeftijd overlijdt en een aantal dochters, die voor het verhaal verder niet interessant zijn. Bij de tweede zoon Jacob gaat er iets verkeerd bij de aangifte bij de burgerlijke stand: hij wordt namelijk ingeschreven als Jacob van de Berg. De n ontbreekt en is voor Jacob voorgoed verloren. Er valt niets meer aan te veranderen. Hij zal voortaan zonder de n van den Berg door het leven moeten. Op zich is dit ook weer niet zo heel erg want ze noemen hem op Urk toch “Jauwk van Jan van Diene”.

Het heeft ook als voordeel dat alle nu levende Urkers, die van de Berg heten, afstammen van de tweede zoon van Jan van Diene, Jacob geboren in 1880. Dan weet je tenminste “van wie je ur iene bin”, gemakkelijk toch. Ook mijn hulp-reporter op Urk, Otto van de Berg is dus een nakomeling van Jacob. Jacob is zijn bèbe (opa) en over deze Jacob gaat de rest van dit verhaal.

De oude Jan van den Berg, Jan van Diene, is niet onbemiddeld en hij financiert voor Jacob, net als voor zijn andere zonen, een botter om mee te vissen in 1907, met het nummer UK 7 maar dat zal wel toeval zijn. De jonge Jacob, pas getrouwd vist ermee op de Zuiderzee en de Noordzee.

In 1908 staat de botter voor een verf en teerbeurt op de werf in Urk. Jacob bevestigt tijdens dit onderhoud aan het roer een stuk touw, waarmee hij het roer naar de botter toe kan trekken om het gemakkelijker in de verf te kunnen zetten. Bij de te waterlating wordt dit touwtje vergeten en blijft het aan het roer hangen.

Uitvaren van de vissersvloot op Urk

 

In de eerstvolgende visweek vaart Jacob uit met slecht één andere man, Jan Schraal, aan boord omdat de derde man ziek is. Dan maar met z’n tweeën vissen, dat kan ook  en om de beurt slapen dus.  Als Jan in het vooronder ligt te slapen komt onverwacht de giek over en slaat de karpoes van Jacob zijn hoofd en overboord. Jacob laat zich niet zo gemakkelijk scheiden van zijn muts en pakt een pikhaak om zijn hoofddeksel uit het water te vissen. Op dat moment komt de giek weer over en deze keer krijgt Jacob hem tegen zijn hoofd, verliest zijn evenwicht en belandt in het water.

Zoals veel vissermannen kan ook Jacob niet zwemmen en kan je zeggen dat hij zich in een penibele situatie bevindt.  Maar daar ziet hij het vergeten touwtje aan het roer achter de botter aan slepen. Jacob weet het vast te pakken en zet het op een schreeuwen. Hierdoor wordt zijn maat Jan wakker en die weet hem na het toewerpen van een touw met strop aan boord te trekken. Gelukkig kan Jacob hierdoor het verhaal na vertellen: Een vergeten touwtje heeft zijn leven gered! Of hij zijn karpoes weer op had,  weet ik niet.  

Door de klap van de giek is Jacob de rest van zijn leven stokdoof. De communicatie met hem verloopt via een opschrijfboekje. Dit belet hem niet de leeftijd van 89 jaar te bereiken en voor een aantal nazaten te zorgen. Hij krijgt maar liefst acht  zonen en dientengevolge lopen er inmiddels genoeg “Van de Bergjes” rond op Urk.

 

Jacob op een bankje op Urk. Het is geen “leugenbankje” want daar hield hij niet van ondanks dat hij de leugens toch niet kon horen.

 

Bronnen:  Urker Volksleven van september 2010 en april 2017, Otto van de Berg.

Foto’s: uit Urker Volksleven van april 2017 en 10e jaargang nr. 55 en Uitvaren vissersvloot uit collectie Zuiderzeemuseum. Fotograaf onbekend.

 

 

 



In dit verhaal wordt het raadsel opgelost!

 

Naar aanleiding van het verhaal “Het raadsel van het wapen van Urk” over het waarom van de schelvis in het wapen, (klik Het raadsel van het wapen van Urk) kwam een reactie van Jurie van den Berg uit Urk. Jurie schreef o.a. de boeken “Nederlandse Kottervisserij in Beeld” en een “Zee van Tranen” en verdiept zich dientengevolge al jaren in de visserijgeschiedenis van Urk.

 Hieronder volgt zijn verklaring over de schelvis in het wapen van Urk:

 Het was in de 19e eeuw dat het gemeentewapen werd toegekend. In die tijd viste de vloot volgens een bepaald stramien. In het voorjaar haring en ansjovis op de Zuiderzee, daarna met de kor op de Noordzee, en vervolgens vanaf Allerheiligen (1 november) met de beug op schelvis boven de Waddeneilanden, tot in de Duitse Bocht aan toe.

 Als er een matig of slecht jaar (altijd ups en downs in de visserij!) gemaakt was dan werd dit meestal in de herfst goedgemaakt met de beugvisserij op schelvis. Het was een hele arbeidsintensieve visserij waar vele handen voor nodig waren. Het gebeurde dat één schuit of botter werd neergelegd en de twee bemanningen op één schip werden samengevoegd om zo non-stop tot Kerstmis te kunnen vissen. In twee maanden tijd kon er heel veel geld verdiend worden. De schelvis werd aan land gebracht in o.a. Harlingen, maar ook in Enkhuizen en Amsterdam. Terwijl er ook aanlandingen bekend zijn op Duitse Waddeneilanden en ook in Geestemünde bij Bremen werd de schelvis verkocht.

Na de introductie van de stoomtrawler rond 1880 in Engeland gingen deze vaartuigen ook vissen boven de Waddeneilanden met het schrobnet, voorloper van de boomkor, en later de bordentrawl. Door de concurrentie van de stoomtrawler, die samen met de vele Engelse smacks met de kor visten werd het met de beug minder en minder. Uiteindelijk is deze vorm van visserij na 1895 verdwenen.

 Hoofdzakelijk schelvis werd er gevangen en rog als bijvangst, maar de schelvis als lucratiefste. En zo was deze visserij in die jaren heel belangrijk en zodoende werd de schelvis gelardeerd op lazuurblauw het wapen van Urk.

Bron: J. van den Berg

foto: O. van de Berg

 

 

 


Jan de Boer: Wij willen vooruit, wij willen vissen

De UK 197 heeft vijf broers De Boer uit Urk aan boord: Jan, Freek, Albert, Meindert en Klaas-Jelle. Een zesde bemanningslid komt van buiten het gezin. Maandagmorgen zijn ze in alle vroegte van Urk vertrokken naar de haven van IJmuiden, waar de kotter momenteel in de weekenden ligt. Jan (48) en Meindert (38) hebben het bedrijf kort geleden van hun vader overgenomen. Ze zijn tegen het Noordzeeakkoord, omdat de visserij volgens dat plan nog meer ruimte moet inleveren dan de sector de afgelopen jaren al heeft gedaan. Ruimte die nu wordt geclaimd door windparkexploitanten en natuurbeschermers.

„De visserij is de enige partij die gebied moet opgeven. Maar wij willen vooruit, wij willen vissen”, zegt Jan. Aan sanering denkt hij niet. „Stoppen is geen optie. Daar hebben we de kotter niet voor gekocht. Geef ons visgebied en houd je geld. Op Urk staat een hele generatie jongelui te trappelen om naar zee te gaan. Mijn twee oudste zoons varen al bij een collega. De derde is 14 en wil straks ook vissen.”

De uitrol van windparken op zee gaat volgens de Urker visser veel harder dan iedereen in de sector had gedacht. „Een jaar of tien geleden kreeg ik van de bemanning van een Duitse reddingboot, die bij ons wat vis kwam halen, een kaartje met de plannen voor de Duitse Bocht, een gebied waar wij een deel van het jaar vissen. Driekwart van wat er op dat kaartje stond, is inmiddels gebouwd. En het gaat maar door.”

Visbestekken verplaatsen gaat zomaar niet. De Boer: „De Noordzee is groot, maar op veel plekken kunnen we niet vissen. Daar ligt de zeebodem vol stenen of er zit geen vis. En waar zetten ze windparken neer en willen ze gesloten gebieden voor natuurontwikkeling? Precies waar wij als vissers ons brood verdienen: de Doggersbank, de Klaverbank en het Friese Front.” bron- rd


Over een koek en zopietent en andere zaken.

Achter het Spui van Enkhuizen rijden de auto's in 1963.  

Het is inmiddels 55 jaar geleden dat één van de strengste winters begon. Rond 20 december viel de vorst in en het IJsselmeer was voor de Kerst dicht gevroren om pas in maart weer langzaam in water te veranderen.

Zelf heb ik nog een aantal herinneringen aan die tijd. O.a. dat ik schaatsen heb geleerd op de Oosterhaven van Enkhuizen en dat ik kennis maakte met het fenomeen “ijsbloemen op de ramen” – wie kent dat nog? -  waar je dan lekker met je nagels in kon krassen. Je  kreeg er wel  koude vingers van maar dat was niet erg. Ook weet ik nog goed dat mijn vader mij ophaalde van de kleuterschool en wij dan op de fiets, ik gezeten op de stang, via de werkhaven van Enkhuizen het Krabbersgat op fietsten. De werkhaven was waar nu de haven van het Zuiderzeemuseum is gesitueerd. Vervolgens fietste mijn vader via het havenhoofd en de oude sluizen de Oosterhaven in waar hij ter hoogte van de Karsenboomstraat de wal weer opzocht. Het is lang geleden maar ik weet het nog als de dag van gisteren.

 

De ingang van de haven van Enkhuizen vanaf de oude sluis.  

Voor de mannen van het betonningsvaartuig “IJselmeer” was het een rustige tijd. Nadat zij gebuffeld hadden om de boeien op tijd op het droge te krijgen, hetgeen voor de Kerst lukte, was er niet veel meer te doen. Zie ook: Een goede winter komt met geweld Het IJsselmeer had een ijslaag van meer dan 80 cm dik, dus varen kwam er voorlopig niet van en voor het schilderen van de boeien was het te koud.

Toen er in februari schaatstochten van Enkhuizen naar Urk en Stavoren werden georganiseerd hadden drie collega’s van de “IJselmeer” het plan bedacht om iets te gaan bijverdienen…… Zij gingen chocolademelk met koeken verkopen. In gewoon Nederlands: een “koek en zopie tent” runnen in hun normale werkgebied, midden op het nu bevroren IJsselmeer.

Flessen chocolademelk werden ingekocht bij de melkboer Jopie Zwier, koeken bij de Broodfabriek en mokken gehuurd bij Wouter Ruiter. Een gasstel met grote ketel hadden ze zelf, eveneens als planken en zijl voor een kraampje en een bankje. Geen van de mannen beschikte over een auto maar voor het vervoer werd de zwager van één van hen gecharterd. Het was dhr. Lenters van de toen bekende Enkhuizer boekhandel, die de hele handel naar een plek halverwege de route zou brengen. Helaas was zijn auto niet groot genoeg, zodat er ook nog een bakfiets nodig was voor het transport van het kraammateriaal.

De bakfiets werd voor het gemak met een kabel aan de auto bevestigd en zo ging het als een speer. De bestuurder van de bakfiets ondervond enig ongemak toen zijn ijsmuts tijdens de tocht over zijn ogen zakte en hij het stuur met twee handen vast moest houden i.v.m. het op koers houden van de fiets bij de relatief hoge snelheid!

De verkoop van de koek en zopie was een groot succes in zo’n mate dat de voorraad chocolademelk al snel opraakte. Eén van de drie mannen was wat zakelijker aangelegd en dacht “schaarse waar is duur” en verkocht de melk voor 30 cent per mok terwijl de andere twee nog de prijs van en kwartje hanteerden. De mannen hadden het te druk om hierover goed te communiceren.

 

De koek en zopietent midden op het IJsselmeer.

Hun onervarenheid bleek ook uit het feit dat de chocolademelk in de ketel op het gasstel af en toe aanbrandde, wat en klant deed opmerken dat de melk een beetje “zangerig” smaakte. Wie kent de uitdrukking nog dat je van aangebrand eten mooi gaat zingen? Het deed de handel weinig kwaad en na een halve dag keerden de mannen met auto en bakfiets uitverkocht en voldaan huiswaarts. Door het succes werd de hele exercitie in het weekend erop bij weer een nieuwe schaatstocht nogmaals uitgevoerd. Dit keer werd wat meer voorraad meegenomen.

Het zou tevens de laatste keer zijn want het betonningsvaartuig “IJselmeer” was onderdeel van de marine en de hoge heren uit Den Helder verboden de activiteit want hoewel deze plaats had in het weekend, zou het toch het aanzien van het ambt van de bemanning schaden. Het blijft een raadsel hoe zij hiervan op de hoogte waren gebracht ……………. misschien het werk van een jaloerse collega of concurrent op het ijs?

Maar het maakt niet uit. De mannen hadden naast een hoop lol ook goed verdiend. Een van hen kocht van het verdiende geld een zogenaamde “zondagse” winterjas, waarvan hij nog tientallen winters plezier heeft gehad.

Ja dat waren nog eens winters ……… om nooit te vergeten. Kom daar nu eens om……

Bron: JP en CBP

 

 


URK • Di 14 januari 2020 | 8:00 • Dinsdag 14 januari 2020 | 8:00

Hendrik Kramer, schipper en mede-eigenaar van de ultramoderne kotter de MDV2 is het inmiddels wel gewend dat Urkers zeggen: "Wat nu aan de kade ligt hier is toch geen kotter, wat een raar schip!" De MDV2 ziet er duidelijk anders uit dan andere viskotters, mede door een andere boeg.

Deze week volgen we de bouw van één van de meest moderne viskotters ter wereld, de MDV2, de Metanoia. Het schip wordt gebouwd door de Urker Stichting Masterplan Duurzame Visserij. De stichting wil met innovaties de visserij in de toekomst rendabel houden en duurzamer maken. De Metanoia is een elektrisch aangedreven schip en verbruikt 80% minder brandstof.

De MDV2 heeft een hydrodynamische boeg waardoor het schip veel gemakkelijker door de golven vaart. "Dat scheelt heel veel brandstof maar het vaart ook nog eens veel rustiger. Dat laatste is prettig als je aan het werk bent", zegt Kramer.

De Urker kotter wordt ook wel de 'Tesla van de vissersschepen' genoemd. Het schip is op een andere manier gebouwd. "We zijn eigenlijk weer helemaal opnieuw begonnen. Daarom is de indeling van het schip ook anders. Het visruim zit bijvoorbeeld op een andere plek", vertelt Kramer.

Succes
De MDV2 is een verbeterde versie van de eerste MDV. "Wat we nu zien is dat veel bouwers ons na gaan doen. Ook vanuit bijvoorbeeld Frankrijk is er interesse. Ik moet altijd wel grinniken omdat we eerst een beetje uitgelachen werden met ons schip. Nu we hebben bewezen dat je echt heel veel geld kan besparen met deze manier van vissen worden we wel serieus genomen", aldus Hendrik Kramer. WWW.OMROEPFLEVOLAND.NL 



Toen de jonge Reno (nu 81) al beslist had dat hij de zee op wilde, kwam hij de liefde van zijn leven tegen. Maar Anneliese had natuurlijk andere dromen. Wat beslis je dan, en hoe kijk je daar als oude man op terug?

Exclusief voor abonnees door Corine Koole10 november 2019, 7:00

“Het stond eind jaren 50 vast dat ik met haar zou trouwen. We woonden in naburige dorpen in het Duitse Ostfriesland, gemeenschappen die leefden van landbouw en visserij. Anneliese ontmoette ik ­tijdens het jaarlijkse Klootschiesserfest. Ze droeg een zomerjurk en was flink van postuur. We hebben die avond niet veel gesproken, maar zijn na afloop hand in hand samen teruggelopen en haar hoofd – ze was maar iets kleiner dan ik – legde ze tegen mijn schouder. Twintigers waren we en tamelijk onervaren. Maar we pasten zo goed bij elkaar dat we die wanhopige fase van aantrekken en afstoten en peilloze onzekerheid oversloegen. We hielden van elkaar vanaf het moment dat we elkaar zagen.

“De stille plekken in het dorp waren snel gevonden. Daar begon het kussen en het zachte strelen van armen en gezicht, maandenlang ­volstond dat. Pas later kwam het voelen erbij en nog later wat je echte seks zou kunnen noemen. Alles, zowel het dialect waarmee we spraken als de nieuwsgierigheid waarmee we elkaar aanraakten, was vertrouwd op een manier die mij onbekend was. Onze ontwikkeling en behoeften gingen gelijk op. Toen we na een jaar fellatio ontdekten bijvoorbeeld, was dat niet omdat een van ons had gehoord dat dit bij seks hoorde, maar omdat we al snuffelend aan elkaars lichaam die mogelijkheid zelf ontdekten. Zoals je je op reis het meest hecht aan de plekken waar je zonder reisgids bij toeval belandt. Het besef dat we iets meemaakten wat twee jonge mensen maar ­zelden meemaken, zo zuiver en vol eerlijke ­toewijding, zorgde voor fantastische jaren.

“Maar bij mij thuis, een familie van ­hardwerkende boeren, hadden ze niks op met dit eenvoudige vismeisje. Mijn vader had liever gezien dat ik met een boerendochter thuis was gekomen met wie ik de boerderij over kon nemen. Hij sprak maanden niet met me.

“Andersom was ik bij haar altijd welkom. Ik zie nog vader Bernd bij de deurpost staan wanneer we ’s avonds in onze mooiste kleren uitgingen: ‘Ik zou nog een keer zo jong willen zijn als jullie twee’, zei hij dan. Ik zag weemoed in zijn ogen als zijn dochter haar wang even zacht tegen de mijne duwde, maar ik was te jong om daar een waarschuwing in te herkennen. Ja, we zouden trouwen, zo had ze dat graag gewild.

Schijnkeuze

“Lang voor ik haar ontmoette, had ik mijzelf echter een heel andere toekomst beloofd. Ik wilde ontsnappen. Weg uit het grauwe Noord-Duitsland, weg van mijn nijvere, humorloze en strenggelovige vader die mijn hele toekomst als erfgenaam van de boerderij had vastgelegd. Al toen ik heel klein was, stond ik aan de kade van ons kustdorp en keek uit over zee. Ik verlangde naar de dag dat ik aan boord kon stappen van een van die schepen die naar Brazilië of Amerika gingen, of naar een van die andere verre bestemmingen met palmbomen en vrolijke mensen. Mijn onrust was groot en het idee dat een ander de loop van mijn leven zou bepalen, welke ander, welk leven dan ook, was onbestaanbaar. Ik heb het nooit echt kunnen vinden met mijn vader, hij heeft mij nooit begrepen. En toen Anneliese rond mijn 20ste ineens kalm en zeker een arm om me heen sloeg en mij met die arm, met dat gebaar, een nieuw soort liefde gaf waaruit vertrouwen sprak, verdween mijn onrust niet. Er kwam gewoon verwarring bij.

“Twee jaar zijn we samen geweest. Zoals ik naar de zee en naar verdwijnen verlangde, ­verlangde zij naar een gezin. Niet naar een ­zeeman die maanden van huis zou zijn. Een paar keer zei ze heel duidelijk: als je weggaat, de zee op, dan is het uit tussen ons. Maar ik was toen al bezig met mijn opleiding tot scheeps­ingenieur. Moest ik dat opgeven? We waren zo verliefd. Het was zo duidelijk: zij of ­niemand. En tegelijk wisten we dat die keuze een schijnkeuze was. Ik kon niet anders dan ontsnappen aan de stijve rechtschapenheid, het voorspelbare, het neerdrukkende, het ­christelijke geloof van mijn geboortegrond. Ik moest wel.

“Op een avond, 19 augustus 1960, besloten Anneliese en ik te breken. Zij zag in dat we beter elk ons eigen weg konden gaan. Niet lang daarna vertrok ik aan boord van een zeeschip waar ik ging werken in de machinekamer.

“Maar ze heeft me nooit ­verlaten. Ze is getrouwd, heeft kinderen gekregen, al haar wensen kwamen uit. En toch is ze in mijn gedachten altijd de mijne gebleven. Ik heb veel vrouwen leren kennen overal ter wereld, gestudeerde ­vrouwen, prostituees, huisvrouwen, echte lady’s. Vijftig jaar geleden ben ik zelfs getrouwd. Als technicus op een groot handelsschip verkeerde ik niet bepaald in een omgeving waar romantiek welig tierde. Maar Anneliese was altijd bij me. Nog steeds, bijna zestig jaar later, mis ik haar. Ik heb vele malen rond de wereld gevaren en heb bereikt wat ik wilde, maar nu, op mijn 81ste, weet ik dat echte liefde niet voor het oprapen ligt.

“Ze is nooit boos geweest, heeft me niets ­verweten. Doodongelukkig maar vreedzaam zijn we die zomerdag uit elkaar gegaan, huilend. Tot haar dood in 1985 is ze in Ostfriesland blijven wonen. Soms bezoek ik haar graf en prevel zacht in ons plat Duits: ‘Danke Anneliese, ­vergeef me mijn achteloosheid’. Maar ook dan is de zee nooit ver weg bron; de morgen


De organisatie achter het duurzame visserij-label MSC onderzoekt of Nederlandse kustvissers het label wel kunnen houden, nu bekend is dat zij frauderen met hun motorvermogen. De NOS berichtte vorig weekend dat de Nederlandse overheid al jarenlang weet van de motorfraude.

"Wij zijn geschrokken van de berichten", zegt Hidde van Kersen van MSC. Begin september las hij voor het eerst dat vissers sjoemelen met hun motorvermogen, in een rapport van de Europese Commissie. "Wij hebben onze onderzoekers aan het werk gezet. Als zij tot de conclusie komen dat vissers de regels inderdaad overtreden, lopen ze het risico het label te verliezen."

Verlies van het label zou een zware klap zijn voor de sector. Nederlandse supermarkten verkopen vrijwel uitsluitend vis met een duurzaamheidslabel. Een grote afzetmarkt dreigt dus te verdwijnen als MSC het label intrekt.

Met meer motorvermogen kunnen kustvissers meer garnalen en bodemvissen als tong en schol vangen. Ze trekken met die krachtige motor grotere netten en zwaardere kettingen over de zeebodem. Erg duurzaam is dat niet; zeediertjes in de bodem lijden eronder.

Gaat om sector, niet om individuele visser

Het intrekken van het certificaat zou extra zuur zijn voor vissers die zich wel altijd aan de regels hebben gehouden. Zij verloren waarschijnlijk tienduizenden euro's doordat concurrenten fraudeerden. Nu zouden ze ook nog eens samen met de fraudeurs het duurzame certificaat verliezen. MSC geeft het label alleen aan een hele sector, niet aan individuele vissers.

Johan Nooitgedagt, voorzitter van de Vissersbond, wil dat MSC dat onderscheid wel gaat maken. "Maak een certificaat per visserman. Die kan dan bewijzen dat hij het wel of niet goed doet. Anders zullen de goeden onder de kwaden lijden."

Onderscheid maken tussen individuele vissers klinkt wel mooi, zegt Van Kersen, maar is in de praktijk onmogelijk. Vis met en zonder label moet dan in de handel constant van elkaar gescheiden blijven. Bovendien schiet het keurmerk dan zijn doel voorbij. "Het gaat ons er niet om dat één individueel schip zich aan de regels houdt, de hele vloot moet zich eraan houden. Alleen dan is vissen echt duurzaam."bron=nos


Urker pulsvissers naar rechter om uitstel verbod

Negentien vissers vragen in een kort geding de rechter om uitstel van het verbod op de pulsvisserij. Zij behoren tot de groep vissers die op 1 juni als eerste moet stoppen. Onder hen zijn Urker en Zeeuwse vissers. De negentien worden ondersteund door VisNed, belangenbehartiger van de Nederlandse kottervi  

De pulsvissers zijn verdeeld over drie categorieën. Al naar gelang hun vergunningen moeten ze per 1 juni of per 31 december van dit jaar stoppen of, en dat is de kleinste groep, per 1 juli 2021. Het verbod op de pulsvisserij is vastgelegd in de nieuwe visserijverordening van de Europese Unie. Die verordening gaat echter niet op 1 juni in, maar op zijn vroegst op 1 juli. Voor VisNed was dit aanleiding om minister Carola Schouten (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, ChristenUnie) te vragen om ook het verbod niet op 1 juni in te laten gaan.

Geen ruimte

De minister wijst het verzoek af, heeft de directeur-generaal Natuur, Visserij en Landelijk gebied namens haar laten weten. Hoe zeer ze het verbod op de pulsvisserij ook betreurt, ziet ze geen ruimte om de pulstoestemmingen te verlengen tot na 1 juni.

Voor de vissers is elke week dat ze langer mogen pulsen meegenomen. Vissen met de pulskor kost elke week veel minder gasolie dan vissen met de traditionele boomkor met zware wekkerkettingen om platvis van de bodem op te schrikken. Een aantal vissers kan volgende week helemaal niet aan het werk. Door de lange levertijd op materialen, kunnen veel vissers niet op tijd omschakelen van de pulsvisserij naar andere methoden. bron de stensor




Vandaag (donderdag 23 mei) vijftig jaar geleden werd het vissersdorp Zoutkamp afgesloten van de Lauwerszee. Veel vissers verloren daardoor hun werk. Donderdag wordt dat herdacht met een kranslegging door vissers bij Lauwersoog, op de plek waar het laatste caisson werd geplaatst.

 

Lauwerszee werd vijftig jaar geleden Lauwersmeer. De visserij verplaatste zich naar Lauwersoog. Daar is weer een bloeiende sector ontstaan, maar sommige Zoutkampers betreuren de gang van zaken nog elke dag. Ze hebben de vlag niet in top, maar halfstok. Net als vijftig jaar geleden.bron=dag blad van het noorden


Visserman Cas Caljouw in zijn werkplaats. Hij gaat niet stemmen bij de Europese verkiezingen. „Het is bouwen aan de Toren van Babel.”

Lieven Meulmeester was 14 jaar toen hij ging varen. In de visserij deed een jongen met de mannen mee. Dat was in 1960. Garnalen vangen, op de houten botter van zijn vader. Vijf dagen bleven de vissermannen van huis. Sommigen trokken hun kleren al die tijd niet uit.

In het Zeeuwse vissersdorpje Arnemuiden vertrekken de vissers nog altijd op zondagnacht naar zee. „In het donker vang je meer”, zegt Lieven Meulmeester (73). „Dat heeft ook met de zondagsrust te maken”, zegt zijn vrouw, Jacomina Meulmeester (72).

In Arnemuiden leeft de visser naar de regels van God.

Lieven Meulmeester was een visser met zeeziekte. Als het stormde, zegt hij, werd hij ‘katterig’. „Wat moest je dan? Bouwvakker worden, of lasser? Nee, je was visserman, dat was zo.” Zijn vader was visserman en diens vader ook. Van zijn twaalfde tot zijn veertiende was Meulmeester naar de visserijschool geweest, zoals alle visserszonen in het dorp. Hij voer tot zijn vijftigste.

Lieven en Jacomina zitten in de huiskamer, aan de rand van Arnemuiden. Aan de buitenkant is hun voordeur geel, aan de binnenkant zachtroze, net als het tapijt in de gang. Op de glazen salontafel liggen foto’s van schepen uit Arnemuiden – allemaal met ‘ARM’ op de boeg. Hier weten ze welke familie bij welk nummer hoort. Lieven Meulmeester heeft de ARM-18. Een blauwe kotter met gele masten. bron nrc


Garnalenvissers krijgen zo weinig geld voor hun waar dat ze binnenkort noodgedwongen aan land blijven. Oorzaak is dat al maanden ongewoon grote hoeveelheden garnalen worden opgevist.

Om te voorkomen dat de garnalen helemaal niets meer opleveren, hebben handelaren een afnamestop van zes tot negen weken afgekondigd. De ramadan wordt aangegrepen om de visserij stil te leggen. In deze periode wordt er toch nauwelijks gewerkt in de pelfabrieken in Marokko.

Bijna 90 procent van de in de Noordzee en Waddenzee gevangen garnalen wordt in Marokko gepeld. De vrieshuizen liggen momenteel overvol met de garnalen.

In deze video vertelt garnalenvisser Dirk Sloot hoe groot de gevolgen van de afnamestop zijn:

Deze browser wordt niet ondersteund voor het spelen van video. Update uw browser naar Internet Explorer 10 of hoger om video af te kunnen spelen.

'Handelaren zeggen: we hoeven met de ramadan geen garnalen te hebben'

Het pellen van garnalen kan handmatig of door een pelmachine. Het nadeel van een pelmachine is dat er veel vis verloren gaat. Handmatig pellen is nauwkeuriger, maar arbeidsintensief en daardoor duur. Een aantal Nederlandse handelaren heeft daarom 'pelateliers' opgezet in Marokko, waar de arbeidskosten laag zijn.

Van de zes handelaren heeft er maar één geen afnamestop aangekondigd. Dat is Telson in Lauwersoog, "Wij pellen veel minder in Marokko omdat wij dagverse garnalen verhandelen", zegt directeur Bert Meijer van Telson. Een beperkt aantal vissers kan dus nog wel hun garnalen bij Telson kwijt. "Het wordt ook spannend wat dat voor ons betekent. We hebben geen idee hoe de vissers gaan reageren op deze eerste afnamestop," vertelt Meijer.

Geen inkomsten

Visser John Lukkien uit Zoutkamp heeft door de afnamestop zes weken lang geen inkomsten, maar denkt wel dat het de enige oplossing is. "Eén ding staat vast. Dit wordt een erg karig jaar voor de garnalenvissers. "We krijgen nu 4500 euro voor 1500 kilo garnalen. De prijs is 3 euro de kilo. Dat is veel te weinig. We moeten minimaal 10.000 euro in de week verdienen om alle kosten te kunnen dekken en een fatsoenlijk loon te hebben" Hij voer afgelopen maandag uit en was donderdag weer terug. "Mijn doel is om 3.000 kilo te vangen deze tocht. Maar in de visserij is niks zeker en al helemaal de vangst niet".




Urk - Op Urk wordt zaterdag het Urk Manifest ondertekend waarbij van Europarlementariërs de inzet verwacht wordt voor de visserijsector in het algemeen en voor het visserij-bedrijfsleven op Urk in het bijzonder.

Het Manifest vraagt onder andere aandacht voor legalisering van de pulsvisserij en versoepeling van de aanlandplicht in het nieuwe Gemeenschappelijke Visserijbeleid, Nederlandse vertegenwoordiging in de Visserijcommissie van het Europees Parlement en het verminderen van de regeldruk vanuit Brussel. De handtekening wordt zaterdag 12 mei gezet op de Visafslag Urk door de Europarlementariërs Peter van Dalen en Bert-Jan Ruissen van de CU/SGP en Geert Post, wethouder Visserij van de gemeente Urk.


Het zou in Katwijk vooral gaan over misstanden in de (inter)nationale zeevisserij, een onderwerp dat momenteel weer erg in de belangstelling staat. ChristenUnie en SGP - op verkiezingstour - hadden daartoe een themaochtend georganiseerd voor vissers met Europarlementariër Peter van Dalen en Ment van der Zwan als sprekers. Net als in de internationale zeevisserij lopen ook vissers van buitenlandse komaf op de Nederlandse vissersvloot het risico te worden uitgebuit.
 
‘Het gebeurt eigenlijk al’, zegt Van der Zwan, in het dagelijks leven personeelsfunctionaris bij de Cornelis Vrolijk Groep in IJmuiden, maar nu sprekend op persoonlijke titel. Van der Zwan noemt elf indicatoren om dwangarbeid te herkennen, zoals misbruik van kwetsbaarheid, achterhouden van loon, schuldbinding, extreme arbeidstijden, intimidatie en bedreiging, achterhouden van identiteitsdocumenten tot fysiek en seksueel geweld. Weliswaar vinden slavernij en dwangarbeid vooral plaats in Aziatische landen, maar ook in Ierland, Engeland en Schotland komt het inmiddels veelvuldig voor. Een slechte zaak, vindt Van der Zwan. 
 
Ondermijnend
Naast het feit dat slavernij en dwangarbeid verwerpelijk is, ondermijnt het ook onze concurrentiepositie. Veel vis uit Azië komt naar Europa en wordt hier vermarkt, ook in ons land. Vis, gevangen onder vaak erbarmelijke omstandigheden, maar daardoor veel goedkoper dan wij hier kunnen, stelt Van der Zwan. 
Ook in Nederland worden vissers uitgebuit, dat weet hij absoluut zeker, zonder te willen duiden waar en hoe. Wel noemt hij als voorbeeld Filipijnen, die hier viskotters bemannen. ‘Die zijn feitelijk illegaal en mogen hier helemaal niet werken. Waarom denk je dat er op de kottervloot van Jaczon (onderdeel van Cornelis Vrolijk, Red.) geen Filipijnen werken?’ 
 
Gezever
Op de vraag waarom dat toch gebeurt op andere kotters, moet Van der Zwan het antwoord schuldig blijven. Ja, dat moet je dan maar aan minister Koolmees vragen. ‘Wat hebben wij hieraan’, roept reder Nico van der Plas van de grote pulskotter KW-145 opgewonden. ‘Wat is dit voor gezever. Bij ons speelt dat helemaal niet, pak de handel aan. Die is verantwoordelijk voor die misstanden, niet de vissers. Of ga anders naar Azië om het daar op te lossen. Hier kom ik niet voor.’ Al staat het onderwerp staat duidelijk vermeld op het programma. 
 
Maarten van de Fliert, beleidsmedewerker van de Eurofractie ChristenUnie-SGP in het Europees Parlement, die in die hoedanigheid ook optreedt als ceremoniemeester, maant de aanwezigen meerdere keren tot kalmte. Nee, het onderwerp slavernij en dwangarbeid boeit niet echt. Het pulsverbod, daar kwamen de vissers voor. ‘Zal ik dan maar stoppen’, vraagt Van der Zwan. En zo geschiedde. Peter van Dalen krijgt vervolgens het woord. 
 
Optimisme
De emoties nemen daarna alleen nog maar toe, vooral als het pulsverbod aan de orde komt. Hoe heeft het zover kunnen komen, vraagt men zich af. Van Dalen legt uit hoe het proces tot stand is gekomen, maar blijft vooral erg positief over de pulsvisserij in de toekomst. Van Dalen: ‘Ik ben er heilig van overtuigd dat de pulsvisserij over drie tot vier jaar terug is. Uit onderzoek, dat dit jaar zal worden afgerond, zal blijken dat pulsvissen een innovatief hoogstandje is met alleen maar positieve elementen. Wel zullen we meer tijd moeten inzetten op Brussel. We moeten daar vooral onze stem laten horen. Over een aantal jaren kunnen jullie je pulstuigen weer gebruiken.’ 
 
Waarop Nico van der Plas (KW-145) in onvervalst Katwijks dialect reageert: ‘Wat? Over vier jaar is het hele zooitje verrot en dus niet meer bruikbaar. Ik heb 400.000 euro geïnvesteerd om pulsvissen mogelijk te maken. Dat heb ik nog steeds niet terugverdiend. Moet ik straks weer vier ton uitgeven om te kunnen pulsvissen? Wij behoorden tot de laatste groep die mochten pulsvissen. Daarom moeten wij op 31 mei stoppen. De andere tuigen gaan nu aan boord, met wekkerkettingen. Alles ligt al klaar.’ 


Het ziet er somber uit voor de kottervisserij op de Noordzee. Het Europees Parlement dreigt dinsdag de pulskor (elektrisch vissen) definitief af te schieten. Ook de brexit en de komst van extra windparken op zee maken de vissers onzeker.

„Mijn zoon zie ik geen boer op zee worden.” De Urker visser Jacob van Urk is heel stellig: hij gelooft niet in grootschalige teelt van zeewier tussen de vele windmolens die de komende jaren op de Noordzee verrijzen. Laat staan dat vissers die van hun schepen worden verjaagd, er hun brood mee zullen verdienen.

De sfeer tijdens de presentatie van de resultaten van de visserijsector, vorige week vrijdag in de Scheveningse visafslag, is beklemmend. De aanwezige vissers steken hun mening niet onder stoelen of banken: de pulstechniek is de belangrijkste innovatie van de afgelopen jaren, en die wordt ten onrechte de nek omgedraaid.

Op de dringende vraag van onderzoekers in de zaal om input voor nieuw onderzoek blijft het angstwekkend stil. En kweek van zeewier, waar het ministerie van LNV hoge verwachtingen van heeft, blijft „gepeuter in de kantlijn”, vindt Adrie Vonk uit Texel. Een collega-visser stelt: „Die installaties zijn veel te kwetsbaar voor de omstandigheden op volle zee. Bij windkracht 10 of 11 blijven ze niet heel.”

Ook het kweken van vis in met zeewater gevulde ruimen van grote schepen is zo’n idee dat volgens de vissers achter een bureau is bedacht. „Zijn zulke plannen wel doorgerekend op een verdienmodel?”, vraagt directeur Pim Visser van belangenorganistie VisNed. Arie Mol, sectorspecialist visserij bij Wageningen Economic Research, blijft het antwoord schuldig. „Ik denk dat we nu in die fase komen.”

Het ministerie hoopt dat zulke nieuwe activiteiten een deel van de vissers een toekomst kunnen bezorgen. Want dat de vloot moet inkrimpen, staat wel vast: er blijft op termijn gewoon te weinig ruimte over om alle kotters in de vaart te houden. De Noordzee verandert de komende decennia in een reusachtig windpark. Bovendien dreigen de Britten na de brexit –wanneer die dan ook plaatsvindt– vissers van het continent te weren uit hun exclusieve economische zone (het water tot 200 mijl (370 kilometer) uit de kust).

Intussen loopt de gasolieprijs op, wat extra doortikt als het pulsverbod definitief doorgaat. En dan is er ook nog het probleem van de teruglopende vangsten van tong en schol, de belangrijkste vissoorten voor de kottervisserij. In 2018 wisten de vissers slechts 66 procent van het toegewezen nationale tongquotum te vangen. „Een historisch laag percentage”, zegt Mol. Het scholquotum werd zelfs voor slechts 45 procent benut. Waarom „de vis zich niet laat vangen” is niet bekend. Volgens de jaarlijkse bestandsramingen van de biologen zwemt er vis genoeg in de Noordzee. lees verder op www.rd.nl


Het is zeker een optie dat Nederland zijn veto uitspreekt over het Meerjarig Financieel Kader wat betreft het onderdeel Europees Visserijfonds. Totdat er een mogelijkheid is gevonden om de pulskorvisserij in stand te houden.

Het Europese visserijbeleid is zo oud als de Europese Unie. Het is nooit onomstreden geweest. Of het nu over de visquota ging of over de aanlandplicht, elke beslissing ging gepaard met veel spanningen. Toch ging de visserijsector altijd akkoord, omdat men aan het eind van de dag erop vertrouwde dat de consensus wellicht nooit voor iedereen goed uitpakt, maar wel voor ons Europa als geheel.

Dat vertrouwen dreigt nu bruut te worden geschonden door een verbod op de pulskorvisserij. In de Europese raad heeft premier Rutte dan ook een grote verantwoordelijkheid om er alles, maar dan ook alles aan te doen om het verbod te voorkomen. Zoeken naar onconventionele middelen hoort daarbij.

Milieuvoordelen

De pulskorvisserij is immers een geweldige innovatie. Natuurlijk, het eraan gekoppelde verdienmodel is ook goed voor de sector, maar inmiddels is er ook genoeg wetenschappelijk bewijs dat de pulskorvisserij milieuvoordelen biedt ten opzichte van de boomkorvisserij. De Europese Commissie is er dan ook een voorstander van, evenals de Spaanse rapporteur en de grote groene ngo’s.

Helaas heeft een kleine extreme lobby in Frankrijk dit debat gekaapt en naar het land van angsten, fabeltjes en misvattingen gevoerd. En zo heeft een monsterverbond van Franse vissers en groene extremisten het lot bezegeld van niet alleen de Nederlandse vissers, maar ook de Europese vissers in het algemeen.

Rutte en Macron

Zo ver hoeft het echter niet te komen, al is het wel vijf voor twaalf. Op dinsdag 16 april moet over de pulskorvisserij gesproken en gestemd worden in het Europees Parlement. Premier Rutte moet in gesprek gaan met de Franse president Macon. Eurocommissaris Timmermans moet het wetsvoorstel voorlopig intrekken, nu het nog kan. Er moet op het allerhoogste niveau naar een creatieve oplossing gezocht worden.

Wat mij betreft mag het zo ver gaan dat Nederland zijn veto uitspreekt over het Meerjarig Financieel Kader wat betreft het onderdeel Europees Visserijfonds. Totdat er een mogelijkheid is gevonden om de pulskorvisserij in stand te houden. Het is de enige manier om een volwaardig Europees visserijbeleid te waarborgen.

De auteur is wethouder Visserij in de gemeente Urk.